Startpagina.
Diensten.
Vogeltaal.
Persoonlijk.
Contact.
Tarieven.

Diversiteit in het onderwijs
Door Harry Lamberink
Bij gelegenheid van de bespreking van de wet op de fusietoets in de Tweede Kamer

Het wetsvoorstel Fusietoets dat op stapel staat wil er aan bijdragen dat de diversiteit in het Nederlandse onderwijs in stand wordt gehouden. Met het wetsontwerp beogen de bewindslieden tevens de legitimiteit van de schoolorganisatie te beschermen.
De motie van Van Dijk(SP)/Enkla waarin de regering wordt gevraagd fusies in het onderwijs aan banden te leggen krijgt steun van de Onderwijsraad. De onderwijsraad wijst daarbij vooral op de waarde van de diversiteit in ons onderwijsbestel en op de legitimiteit. Het LVGS heeft kritische gereageerd op het wetsvoorstel, terwijl de argumenten ons tegelijk sympathiek voorkomen.
De onderwijsraad stelt in de samenvatting van haar rapport "De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs" van november 2008 het volgende: "De raad ziet keuzevrijheid als de mogelijkheid voor ouders, leerlingen en studenten, en in zekere zin eveneens voor leraren en docenten, om te kiezen tussen een variëteit aan bestuursvormen, tussen openbaar en bijzonder onderwijs, tussen opleidingen van verschillende instellingen, en tussen pedagogisch-didactische modellen. Onder legitimatie verstaat de raad: draagvlak voor en betrokkenheid bij de school van ouders, leerlingen en docenten, maar ook van maatschappelijke en bestuurlijke betrokkenen in de lokale en regionale omgeving en van de burgers en de politiek."
De diversiteit van het Nederlandse onderwijsbestel is ligt ons na aan het hart. In de motivering stelt de Minister dat de wet Fusietoets bedoeld is om die diversiteit te beschermen. Aanhoudende fusies bedreigen die diversiteit volgens de wetgever omdat fusies kunnen leiden tot een monopoliepositie voor enkele schoolorganisaties. Daarmee verdwijnt er kleur uit het bestel en hebben ouders steeds minder te kiezen. Dat gevaar is inderdaad reëel. Critici van het wetsvoorstel wijzen er op dat Fusies vaak de redding zijn van kleine scholen, vooral op het platteland. Op die manier dragen fusies juist bij aan de diversiteit en bereikbaar, zo luidt hun commentaar. En dat gebeurt inderdaad. Er zijn grote schoolbesturen die scholen van diverse richtingen onder hun bestuur hebben en die in hun beleid gericht zijn op het in stand houden van de eigenheid van elk van deze scholen. De verantwoordelijkheid van het identiteitsbeleid wordt dan bij de individuele school gelegd.
Wat is er hier nu aan de hand. De diversiteit in het onderwijs is een afspiegeling van de diversiteit onder de bevolking. Het is immers eigen aan het bestel dat het particuliere burgers zijn die scholen oprichten en instandhouden. De overheid is er voor verantwoordelijk dat er voor iedere leerling onderwijs voorhanden is en daarom houdt de overheid openbare scholen in stand. Ruim 30% van het Nederlandse scholenbestand bestaat uit openbare scholen en bijna 70% zijn derhalve bijzondere scholen. 
Als de diversiteit in het onderwijs afneemt zonder dat de overheid daar de hand in heeft, dan zegt dat iets over de Nederlandse samenleving. Het bijzonder onderwijs is weliswaar springlevend, maar laat zich niet meer kennen langs de kleuren van de twintigste eeuwse zuilen. Veel Katholieke- of PC- scholen zijn vrijwel algemene scholen geworden. Hun leerlingen- en personeelsbestand wijkt vaak niet veel af van het openbaar onderwijs. Dat heeft te maken met het feit dat de drijfveren van de oprichters van de scholen de huidige bestuurders en leerkrachten niet veel meer zegt. Vaak sluipenderwijs zijn de typische christelijke kenmerken naar de achtergrond verdwenen. Dat betekent niet dat deze scholen identiteit niet belangrijk vinden. Integendeel. Er wordt juist in het afgelopen decennium weer volop nagedacht over het profiel van de school: maar dan gaat het niet over het katholieke profiel waarbij de Bisschop de lijnen uitzet. Lokale bestuurders, ouders, leerkrachten kiezen een profiel dat hun na aan het hart ligt. Christelijke waarden worden daarbij vaak horizontaal ingevuld. Naastenliefde wordt respect voor de medemens en zorg voor de schepping wordt dan aandacht voor duurzaamheid. Tegen die achtergrond wordt het ook begrijpelijk dat schoolbesturen vaak geen bezwaar hebben tegen een fusie met een bestuur van een andere demonimatie. De kans je aan de scherpe kantjes van de zuilen te snijden is klein geworden.
Als dit de werkelijkheid is, dan kan het gevolg zijn dat scholen meer op elkaar gaan lijken. Van echte keuzes, als het gaat om levenbeschouwelijk onderwijs, is dan steeds minder sprake. Maar dat is dan niet het gevolg van een fusiegolf, maar van seculariserende tendenzen in de samenleving. Het is de vraag of de overheid dan met wetgeving diversiteit kan forceren. De fusiegolf is niet de oorzaak van de afname van diversiteit in het onderwijs. De de fusiegolf heeft deze maatschappelijke werkelijkheid wel aan het licht heeft gebracht. Tegen die achtergrond heeft het LVGS kritisch gereageerd op het wetsvoorstel. Immers het wetsvoorstel grijpt in op beslissingen die in het maatschappelijk middenveld genomen moeten worden terwijl het maar de vraag is of de overheid hier op de juist stoel plaatsneemt.