Startpagina.
Diensten.
Vogeltaal.
Persoonlijk.
Contact.
Tarieven.
Columns
Hieronder tref je in deze volgorde enkele columns aan:

Vrijheid van meningsuiting?
Tolerantie
De mens, goed of slecht
School als opvoeder
Grenzen aan kleine scholen
Pesten onder ons
Steeds maar meer, of niet?
Cursus mail met verstand
Jurre zet ons aan het denken
Kennen en gekend worden


Vrijheid van meningsuiting?
De social media bieden een prachtig platform om  vanuit de veilige anonimiteit te schieten op alle en iedereen. Misschien voelen we ons beter als andere fouten maken en dan meten we dat ook graag breeduit. Anderen luchten hun hart vrijuit en ten koste van alles en iedereen. Analisten wijze ons er op - en waarschijnlijk terecht - dat het vertrouwen van de burger in overheden en instituties laag ligt. Daarin zou ook de verklaring liggen van de ranzige reacties die sommige mensen, politici, bedrijven en instanties te deel vallen in de social media. Het zal allemaal wel. Maar ik is het ook niet gewoon hufterigheid en gebrek aan beschaving om zo te keer te gaan?
In de politiek ligt er nu het pleidooi om politici te vrijwaren van kritiek als er sprake is van groepsbelediging. Want je moet alles kunnen zeggen: hoe een beschaving langzamerhand aan zijn einde komt.
Wordt het niet tijd om te erkennen dat er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting en dat we die grenzen ook gaan handhaven? Democratie en de vrijheid van meningsuiting waren ooit het grote goed die burgers in staat stelde om frank en vrij een eigen bijdrage te leveren aan het publieke debat tot opbouw van de samenleving. Nu lijken beiden een alibi geworden om de ander (want zelf heb je immers gelijk) tot de grond toe af te branden, te kleineren, te schofferen en tot in het diepst van de ziel te kwetsen. Ik ben hecht zeer aan de grondwettelijk vrijheden die we in ons mooie land genieten. Maar het wordt tijd om de vrijheid van meningsuiting weer te verbinden met de moraal. En om goed van kwaad te onderscheiden.   
 

Tolerantie

Nederland is een tolerant land, hebben we altijd geroepen. Het lijkt er op dat er op dit moment vooral mee wordt bedoeld dat het individu geen strobreed in de weg gelegd mag worden. En wie iets op de ander aan te merken heeft is al snel verdacht van intolerantie of erger. Intolerantie krijgt zo de smaak van (cultuur-) relativisme, onverschilligheid en dwang. (Cultuur-) relativisme omdat individuele vrijheid bijna als absoluut wordt gedefinieerd. Wie heeft het recht een ander aan te spreken op zijn gedrag? Ik heb mijn mening en jij mag de jouwe hebben. Maar val me niet lastig. En als ik jou wil beledigen is dat mijn goed recht (vrijheid van meningsuiting, Je suis Charlie). Onverschilligheid, omdat we liever vrouwen en meisjes laten creperen in de gedwongen sekshandel dan maatregelen te treffen die hen helpen maar die anderen beperken in hun vrijheid. Dwang, omdat de onbegrensde ruimte voor het individu vraagt om inperking van de vrijheid van de achtergebleven groepen in de samenleving: Christenen, Joden, Moslims. Zij die nog geloven in een God die iets van het leven vindt.
De Liberaal Jan Kappeyne van de Coppello biedt ook de huidige liberalen inspiratie.  Op 8 december 1874 sprak hij in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal waarbij hij het orthodox christelijk volksdeel van die dagen toebeet dat die minderheid maar moest worden onderdrukt, want dan is zij de vlieg, die de ganse zalf bederft, en heeft zij in deze maatschappij geen recht van bestaan (Wikipedia).
De reden was toen dat het christelijk volksdeel protesteerde tegen een onderwijswet die het onderwijs voor christenen onbetaalbaar zou maken. Nu gaat heel vaak ook om onderwijs. Want we voelen wel aan dat wie de jeugd heeft… Ook nu zijn de liberalen, of ze nu van VVD-huize zijn of van Groen Links, D66 of PVDA, gebeten op groepen in Nederland die maatschappelijke mainstream opinie niet is toegedaan.
Als scholen in hun onderwijs de geur van Christus verspreiden ruiken sommige liberalen een stinkende zalf. Het zet hen aan tot ijver en grote schoonmaak. Zo zet de Minister van Onderwijs, Bussemaker, 160 voorlichters in om de achtergebleven groepen in Nederland mores te leren. (Twitter, @Geloofenschool). Op voorstel van Tweede Kamerlid Keklik Yücel, gaan ze de orthodoxe schoolkinderen bijspijkeren op het punt van homoseksualiteit. Want dat onderwerp is in de ogen van de minister een taboe in die kringen. Daarbij negeert ze gemakshalve dat bv. in het gereformeerde VO een methode is om het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar te maken. Ik begrijp ook wel dat daarmee niet alles is opgelost. Want als in een gemeenschap de homo weliswaard wordt aanvaard, maar er nog wel gesprek hebt over het al dan niet praktiseren, is er voor liberalen niks opgelost.
Ik begrijp de verbetenheid van de liberalen wel, omdat hier sprake is van  een botsing van grondrechten. De belangen zijn groot, de emotie heftig en de overtuigingen stellig. En in dat geval gaat het geschil altijd diep. Maar ik zou willen pleiten voor inleving en gesprek, in plaats van dwang en verkettering.
Ook in een democratische rechtstaat – de minst slechte oplossing voor menselijk samenleven – hebben we niet bij voorbaat alle problemen opgelost en kunnen conflicten voorkomen. Tot op heden koesteren we de rol van de burgerlijke rechter in het geval van botsing van grondrechten. Het overgrote deel van de liberalen, zowel ter linker als ter rechterzijde, kiest voor de vrijheid van het individu. Daarom moet het antidiscriminatie beginsel Grondrecht nummer één worden. De rest is daaraan dan ondergeschikt.
Deze verpolitisering van de grondrechten brengt schade toe aan de samenleving. Bij botsing van grondrechten wordt er altijd pijn geleden. Hoe die pijn verdeeld moet worden kan het beste in een eerlijk afweging van belangen plaatshebben. Het alternatief is dat groepen onderdrukt gaan worden, ter willen van het individu. Want tolerantie is niet alleen gedogen dat de ander anders gelooft en denkt. Tolerantie is ook de ander actief ruimte geven om zijn of haar mening te hebben omdat hij of zij in eigen verantwoordelijkheid moet leven en kiezen. Uiteraard, alles behoudens de wet.


De mens, goed of slecht?

Dit keer was het burgemeester Wolfsen van Utrecht die de prostituees wil helpen. Hij maakte een mooi gebaar. Hij wil de oprichting van een coöperatie van prostituees financieel steunen. Wolfsen wil zo helpen de veiligheid en de transparantie te bevorderen. Het is een plan in een lange rij van goed bedoelde plannen om de prostitutie uit de donkere krochten te halen en tot een eerzaam beroep te maken. Het idee staat ook in een lange rij ideeën om te proberen verwerpelijke of misdadige zaken, die zich in het duister afspelen, via gedoog-beleid in het licht te trekken. Misdaad laat zich echter niet weg-organiseren.
Nu is het natuurlijk de discussie wat verwerpelijk is en wat niet. Ik zie prostitutie als een activiteit die in zichzelf verwerpelijk is: het verkopen van wat de mens het meest eigen is, het eigen lichaam. Maar daar denken anderen anders over. Voor hen geldt de individuele vrijheid als hoogste norm. En als iemand er voor kiest om zichzelf te verkopen, wat zou de ander ervan zeggen. De wet staat het immers toe.
Daarom kiest Wolfsen voor reguleren. Hij hoopt daarmee de rand van criminaliteit die altijd om de prostitutie heen hangt, te kunnen beheersen: mensenhandel, vrijheidsberoving, uitbuiting, slavernij, chantage, en noem het maar op. Maar dat zal niet lukken. Het is inherent aan misdaad dat deze het duister zoekt om zich te manifesteren. Immers de dader wil voorkomen dat zijn daden bekend worden. Want dat zal hij in het gevang belanden en zijn handel houdt op te bestaan. Op elke actie van de overheid zal de crimineel een nieuw antwoord zoeken om zo zijn criminele activiteiten te kunnen voortzetten. Het is een kat en muis-spel zonder einde. Daarom is gedogen uiteindelijk geen optie.

Wij zijn in zonden ontvangen en geboren. Dat heb ik al vroeg geleerd. Wie dat belijdt, is realistisch als het gaat om zonden en ellende in deze wereld. Hij is er nooit door verrast en zal er altijd rekening mee houden. Christenen zijn realisten, die de ellende van de wereld onderkennen. Maar dat niet alleen.
We geloven ook dat we in Christus een nieuwe schepping zijn. Dat zorgt ervoor dat christenen ook nooit zonder hoop zijn. Er is altijd de helende kracht van God in het leven van een christen.
Christenen hebben als het goed is een behoorlijke dosis zelfkennis. Daarom zullen ze  - als het goed is en dat is het vaak niet - niet snel een oordeel hebben over anderen. Ze weten immers dat ze zelf leven van de geef, van genade.  
Wie denkt dat de mens in zichzelf goed is, kan niet anders dan blijven proberen die mens daar zelf van de overtuigen. Maar het zal een eindeloos vruchteloos pogen blijven. Burgemeester Wolfsen probeert het nog maar een keer.    


Grondslag of doelstelling

Kars Veling heeft enige tijd geleden in een lezing gepleit om christelijke organisaties vooral te definiëren als doelorganisaties of liever nog perspectief-organisaties. Veling voelt daarmee de stand van zaken binnen de christelijke organisaties goed aan. De van oudsher gereformeerde organisaties in politiek en samenleving werden steevast gebouwd op een grondslag van Bijbel en Belijdenisgeschriften. Naarmate de samenstelling van de leden of de doelgroep meer diversiteit vertoond geeft dit problemen. Immers als je het samen eens moet worden over de punten en de komma’s van de grondslag, leidt dit niet zelden tot discussies in de club. En als gereformeerden samen willen optrekken met Evangelischen, dan geeft dit misschien wel ronduit problemen.
In gereformeerde scholen hebben we een duidelijke grondslag geformuleerd. Nu er anno 2013 opnieuw wordt gediscussieerd over de vraag met wie we het onderwijs willen organiseren is ook bovenstaande vraag opnieuw actueel. Immers
  

School als opvoeder

Is de de juf of de meester mede-opvoeder of niet? In de afgelopen maanden heb ik op diverse plaatsen een spreekbeurt gehouden over dit onderwerp voor ouders en leerkrachten van basisscholen. Het valt me op dat leerkrachten en ouders dit thema niet heel vaak expliciet op de agenda hebben. Het lijkt alsof het allemaal volkomen vanzelfsprekend duidelijk is, de rolverdeling van school en ouders. Maar wie zich realiseert dat kinderen bijna 1000 uren per jaar effectief in de invloedssfeer van de juf of meester verblijft realiseert zich meteen hoe belangrijk de rol van haar of hem is. Het gedrag van volwassenen beïnvloedt kinderen, altijd. Niet beïnvloeden kan niet. Daarbij luisteren kinderen (hopelijk) naar hetgeen meester of juf vertelt. Meer nog kijken kinderen hoe hij of zij zich gedraagt. De meester of de juf is vaak een belangrijk rolmodel voor kinderen. Jonge kinderen vertrouwen heilig op het woord van de juf. Moeder kan hoog en laat springen, de juf heeft het gezegd. Jongeren gedragen zich op bepaalde leeftijd bijna tegenovergesteld. Hun oppositie tegen volwassenen draagt bij aan de vorming van de eigen identiteit. Dan moet wel iemand zijn om zich mee te meten, stevig genoeg om niet van te wijken bij het tegenweer van de jongere.
Als de juf zo belangrijk is in het opvoedingsproces, dan wordt het wel heel belangrijk aan wie de ouder zijn of haar kind toevertrouwd. Dan wil je toch weten hoe hij of zij in het leven staat. De keuze van de school wordt zo een heel serieuze zaak. Ons onderwijs-bestel is gebaseerd op het  idee dat veel ouders bewust een school kiezen voor hun kind, een school die opvoedt in dezelfde lijn als de ouders: globaal gezien dan natuurlijk.
En daarna ligt het voor de hand dat ouder en leerkracht hun handelen, waar mogelijk, afstemmen op minstens een minimaal niveau en zeker als er zich bijzonder gedrag voordoet.

Leerkracht en ouder krijgen vaak pas dan echt contact met elkaar als er iets bijzonders aan de hand is: als de ouder het niet eens is met de handelwijze van de juf, als de juf haar of zijn kind heeft gestraft, als juf vermoedt dat er thuis “iets aan de hand is”. In die situatie raakt het gesprek nog wel eens gefrustreerd. Dat is logisch: op die momenten komt het er op aan dat je elkaar vertrouwt en verstaat. Dat vraagt om voor-investering. Dus juf, meester, ouder, investeer in de relatie op een moment dat je die nog niet zo hard nodig hebt. Ofwel repareer het dak bij mooi weer.     


Grenzen aan kleine scholen
De Onderwijsraad adviseert de regering de opheffingsnorm voor scholen fors te verhogen, naar 100. Daarmee zegt de Raad eigenlijk dat scholen met minder dan 100 leerlingen op termijn zouden moeten sluiten. Het advies komt niet uit de lucht vallen. Minstens twee ontwikkelingen hebben op de achtergrond meegespeeld:
1. In Groningen, Friesland, Drente, Zeeland en Limburg hebben scholen te kampen met krimp. Die doet zich nu vooral voor in het primair onderwijs. De komende tijd zal het verschijnsel krimpt zich uitbreiden naar een groot deel van Nederland en ook naar het voortgezet onderwijs. Scholen in de krimpgebieden worden steeds kleiner en de vraag doet zich voor hoe klein een school mag worden voor sluiting in beeld komt. Hoe ver ga je daarbij als je geen concessies wilt doen aan de onderwijskwaliteit.
2. Onderzoeken tonen aan dat er een correlatie is tussen de omvang van de school en de kwaliteit van onderwijs: kleine scholen zijn oververtegenwoordigd zijn in de groep zwakke scholen.

Het is nog niet zo heel lang geleden dat de overheid besloot de kleine scholen extra geld te geven om te kunnen blijven voortbestaan; de kleine-scholen toeslag. Het sentiment in de Tweede Kamer was toen “klein is fijn” en “het dorp heeft een school nodig.” De kleine-scholen toeslag helpt om kleine scholen extra leerkracht te bieden zodat ze het langer kunnen volhouden.
De norm van 100 leerlingen die de onderwijsraad hanteert is arbitrair. Over het algemeen wordt aangenomen dat de onderwijskwaliteit goed te borgen is (tegen een redelijke prijs) als er sprake is van vier groepen van elk 20 leerlingen: dan gaat het in totaal dus om 80 leerlingen. En de werkelijkheid laat zien dat ook scholen van 40 leerlingen kwaliteit kunnen bieden. De meeste kleine scholen doen het goed. Maar het is waar, de kosten per leerling zijn hoger dan van een grote school.

Schoolbesturen met veel kleine scholen hebben moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. En de medewerkers van de grotere scholen onder het bestuur vragen zich af en toe ook af hoe solidair ze moeten zijn met de kleinere scholen. Zij zouden meer te besteden hebben als het bestuur geen kleine scholen had.
Vanuit ouders en kinderen gezien zit er ook een ondergrens aan de omvang van de school. In heel kleine klassen hebben kinderen weinig keus als het gaat om het hebben van een vriendje of vriendinnetje. Dat kan voor een kind heel vervelend zijn. De keerzijde is er ook. Een kleine school is overzichtelijk. Kinderen zullen er niet snel uit beeld raken.

Een andere invalshoek om naar het vraagstuk te kijken is die van de keuzevrijheid van de ouders. Het aantal scholen in bv. Groningen zal de komende tijd behoorlijk gaan afnemen. De schoolbesturen in het Openbaar - en PC-onderwijs overleggen met elkaar over de vraag hoe kan worden samengewerkt. Dat zal er waarschijnlijk toe leiden dat er pc-scholen en openbare scholen zullen fuseren of sluiten. In dat geval is er voor ouders al veel minder te kiezen. De vraag doet zich dan ook voor wat de diversiteit en keuzevrijheid ons waard is.
De onderwijskwaliteit moet goed zijn. Daarover geen misverstand. Maar bereikbaarheid en identiteit zijn daarmee niet onbelangrijk geworden. En dan hebben we het nog niet over de gevolgen voor de leefbaarheid van de dorpen. Demografische ontwikkelingen hebben gevolgen voor scholen, maar het sluiten van scholen heeft ook consequenties voor het voortbestaan van de kernen. Welke dat zijn, daarover zijn de geleerden het niet helemaal eens.  

De korte periode tussen het toekennen van de kleine-scholen toeslag en het advies om de opheffingsnorm te verhogen laat zien dat de Tweede Kamer te impulsief en te reactief functioneert. Het lange termijn perspectief is te weinig leidend. Ook nu geldt eerst nadenken en dan doen.
De Groningers maakten minister Kamp onlangs duidelijk dat het geen doen is om in Groningen te wonen als de gaswinning doorgaat. Misschien is een volksverhuizing een optie: alle Groningers gaan in de Friese dorpen wonen: niemand heeft nog last van de aardbevingen; de Friese scholen floreren; de huizenprijzen in Friesland stijgen en daarmee die in het hele land; het vraagstuk van de provincie-omvang is opgelost en Fries op school krijgt weer echt betekenis. Wat willen we nog meer.    


Pesten onder ons

Het was deze week weer heel actueel: het feit dat kinderen, maar ook volwassenen, met regelmaat worden gepest (over volwassenen hoor je dan trouwens niet veel). De afgelopen maanden werden we een paar keer opgeschrikt door een dramatische gebeurtenis. Een jongeman van begin twintig pleegde zelfmoord: “ik ben men hele leven bespot, getreiterd, gepest en buitengesloten”, zo schreef hij aan zijn ouders. Een tijdje later, maar nog recent, wierp een meisje van 16 uit Staphorst zich voor de ogen van leeftijdsgenoten voor de trein.

Het is bekend dat pesten iemand voor het leven kan tekenen. Het kan jongeren en volwassenen zo systematisch beschadigen dat ze een verminkt zelfbeeld opbouwen, zichzelf - bijna mensenschuw - terugtrekken in een eigen wereldje, depressief worden en wat dies meer zij. Onderkenning van concrete patronen van pestgedrag, waar jongeren als slachtoffer in gevangen zitten, is daarom erg belangrijk. Jongeren helpen om ermee naar buiten te komen kan het begin zijn van het doorbreken van de patronen. Maar ermee naar buiten komen zonder dat je de garantie hebt dat je steun krijgt, in de peergroup of van de kant van volwassenen, wordt door de betreffende jongeren ook als riskant beleefd. Het kan een averechts effect hebben. En iemand die gepest wordt is bovendien snel geneigd om het gedrag van anderen aan zichzelf te wijten.
Nederland heeft de gelukkigste jongeren in de wereld. Maar het aantal jongeren dat verschijnselen van depressiviteit vertoont is desondanks groot, als we de onderzoeken mogen geloven. Dat betekent overigens nog niet dat dit in alle gevallen aan het pesten te wijten is. En waar dat wel het geval lijkt te zijn ontstaat er een vorm van medeleven die zo maar kan ontaarden in volkswoede en volksgericht. Daar zijn op z’n minst kanttekeningen bij te plaatsen.

Het valt op dat er razendsnel iets van een communis opinio ontstaat gebaseerd op vermeende kennis over de gebeurtenis en de persoon die het betreft; er ontstaat een simpel plaatje waarbij een causaal verband wordt gelegd tussen de suïcide en het zich gepest voelen en van het zich gepest voelen naar het gepest zijn en van het gepest zijn naar “concrete klasgenoten of leeftijdgenoten uit de directe omgeving’.  
  
Nu zal ik de laatste zijn die - ingeval van suïcide van een jongeren- het drama wil relativeren. Maar wel is er het risico van simplificatie. Immers, het feit dat een jongere zich buitengesloten of gepest voelt is niet hetzelfde als dat een jongere bewust door ‘de groep’ wordt buitengesloten of gepest wordt. Wat voelt als gepest worden wordt door de vermeende daders soms ervaren als plagerij of studentikoze humor.
En een jongere die aanleg heeft tot depressiviteit kan zich gemakkelijk buitengesloten voelen, zonder toedoen van de ander, maar door het eigen onvermogen om contact te maken. Dat maakt het niet minder erg, maar het leidt wel naar een andere taxatie.

Het past ons als buitenstaanders ons terughoudend op te stellen als het gaat om een persoonlijk drama. Tegelijk is het aan ons allen om alert te zijn op de pscycho-sociale hygiene in de groep waarin we vertoeven. Want het zijn niet alleen de kinderen die lijden onder al dan niet zo bedoelde plagerijen of pesterijen.
Als leden de van een jaargroep van de studentenvereniging - uit een soms al ver verleden - elkaar in een reunie ontmoeten kunnen de oude patronen zo maar herleven: patronen waarvan één van hen altijd de dupe is geweest. Hij zal misschien zwijgen en glimlachtend weer iets van die pijn beleven. En de grappenmaker heeft - zich niet bewust van wat hij aanricht - opnieuw de avond van zijn leven.     
  
   
Steeds maar meer of niet?

Onlangs stelde een topman van een bedrijf voor om oudere werknemers salaris te laten inleveren ten gunste van de loopbaan van hun jongere collega’s. De reacties in de pers waren gemengd. Sommigen schreven dat het hun uit het hart gegrepen is en andere – vooral de vakbonden -  schreeuwen moord en brand.
columns.